Grieks – Stamtijden van het werkwoord

Wanneer je Griekse werkwoorden gaat leren is het nuttig om de stamtijden van het werkwoord uit je hoofd te leren. Met behulp van deze tijden kun je namelijk alle verschillende persoonsvormen van het werkwoord afleiden. Je kunt dit vergelijken met de stamtijden van het sterke werkwoord in het Nederlands, bijvoorbeeld zingen – zong – gezongen. In de praktijk betekent dit dat je van elk Grieks werkwoord de volgende vier stamtijden moet kennen: (1) praesens, (2) futurum, (3) aoristus en (4) perfectum. Hieronder zie je het voorbeeld van het regelmatige werkwoord λύω:

losmaken

λύω – ik maak los – praesens
λύσω – ik zal losmaken – futurum
ἔλυσα – ik maakte los – aoristus
λέλυκα – ik heb losgemaakt – perfectum

Lang niet alle werkwoorden zijn zo regelmatig als λύω. Kijk maar eens naar de stamtijden van het werkwoord λαμβάνω nemen:

nemen

λαμβάνω – ik neem – praesens
λήψομαι – ik zal nemen – futurum
ἔλαβον – ik nam – aoristus
εἴληφα – ik heb genomen – perfectum

Je ziet dat bij het werkwoord λαμβάνω elke tijd is gebaseerd op een verschillende stam. Wanneer je begint met het leren van de stamtijden kun je het beste beginnen met de eerste en de derde tijd, dat wil zeggen met het praesens en de aoristus. De andere twee stamtijden (futurum en perfectum) leer je er dan later bij. Ook is het verstandig te beginnen met de stamtijden van werkwoorden met een thematische aoristus. Dat komt omdat bij deze aoristus de stam vaak erg verschilt van die van het praesens. Bij het vertalen is het daarom handig om al in een vroeg stadium beide stamtijden te kennen.

Enkele voorbeelden van het praesens en de aoristus bij werkwoorden met een thematische aoristus zijn:

leiden ἄγω – ἤγαγον  (ik leidik leidde)

grijpen – αἱρέω – εἷλον (ik grijpik greep)

sterven – ἀποθνῄσκω – ἀπέθανον (ik sterfik stierf)

Een lijst van werkwoorden met een thematische aoristus vind je in Argo, Hulpboek 1, p. 142.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *