Sappho – Fr. 31

φάινεταί μοι κῆνος ἴσος θέοισιν

ἔμμεν ὤνερ, ὄττις ἐναντίος τοι

ἰσδάνει καὶ πλάσιον ἆδυ φωνεί-

σας ὐπακούει

καὶ γελαίσας ἰμερόεν τό μ᾽ ἦ μάν

καρδίαν ἐν στήθεσιν ἐπτόησεν·

ὠς γὰρ εἰσίδω βροχέως σε, φώνας

οὐδὲν ἔτ᾽ ἴκει·

ἀλλὰ κάμ μὲν γλῶσσα ἔαγε, λέπτον

δ᾽ αὔτικα χρῷ πῦρ ὐπαδεδρόμηκεν,

ὀππάτεσσι δ᾽ οὐδὲν ὄρημ᾽,ἐπιρρόμ-

βεισι δ᾽ ἄκουαι.

καδ δέ μ᾽ ἴδρως κακχέεται, τρόμος δὲ

παῖσαν ἄγρει, χλωροτέρα δὲ ποίας

ἔμμι, τεθνάκην δ᾽ ὀλίγω ᾽πιδεύης

φαίνομαι […].

Verlangen

Aan de goden lijkt mij die man gelijk wel,

die in het café tegenover jou zit,

luisterend terwijl je naar hem je hoofd buigt

met zoete woorden

En je lieve lach, die verlangen opwekt

in mijn hart, dat wild in mijn borst tekeer gaat,

want als ik je aankijk, Murrine, blijft geen

stem in mij over.

Maar mijn tong is lam en een vloeibaar vuur stroomt

onderhuids en plotseling door mijn leden.

Niets kan ik meer zien, als ik luisteren wil

suizen mijn oren.

Klam ben ik van ‘t zweet en een kille huiver

grijpt mij aan, nog bleker ben ik dan gras,

even nog, een weinig rest mij, dan

lijk ik te sterven.